Verdrukkingen en tegenspoeden: Berusting in

Bijbels onderwerp · 34 Bijbelteksten · Statenvertaling

1 Tessalonicenzen 3:3 3Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.

2 Timotheüs 4:5 5Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.

Job 5:17 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

Job 13:15 15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

Job 34:31-32 31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven. 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

Job 34:34 34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

Psalmen 4:4 4Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.

Psalmen 37:1 1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.

Psalmen 46:10 10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

Spreuken 3:11 11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

Klaagliederen 3:22-36 22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; 23Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. 24Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. 25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. 26Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN. 27Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. 28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. 29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. 30Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad. 31Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. 32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden. 33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte. 34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt; 35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten; 36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?

Klaagliederen 3:39 39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.

Micha 6:9 9De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!

Mattheüs 26:39 39En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan? doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Marcus 14:36 36En Hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.

Lucas 21:19 19Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.

Lucas 22:42 42Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.

Johannes 18:11 11Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?

Romeinen 5:3 3En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;

Romeinen 12:12 12Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.

2 Korintiërs 12:9 9En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

Filippenzen 2:14 14Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken;

Kolossenzen 1:11 11Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap;

2 Tessalonicenzen 1:4 4Alzo dat wij zelven van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;

2 Timotheüs 2:3 3Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.

Hebreeën 10:34 34Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.

Hebreeën 12:3-12 3Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. 4Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; 5En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; 6Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. 7Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) 8Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen. 9Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn. 12Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen;

Jakobus 1:10 10En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.

Jakobus 4:7 7Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.

1 Petrus 1:6 6In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;

1 Petrus 2:20 20Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.

1 Petrus 4:12-13 12Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; 13Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.

1 Petrus 4:19 19Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.

1 Petrus 5:6-7 6Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd. 7Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →