Statenvertaling · Elifaz’ eerste rede: na kastijding zegen
7Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;
11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.