Statenvertaling · Des Heren tweede antwoord: de Behemot
3Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
4Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
5Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.
6En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
7Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
8Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?