Job 30:1-10

Statenvertaling · Jobs slotrede: mijn tegenwoordige ellende

1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.

2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.

3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.

4Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.

5Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),

6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.

8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.

9Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.

10Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.

Lees heel Job 30 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 30:1-10 in de interactieve Bijbel →