Job 3:6-20

Statenvertaling · Jobs bittere klacht

6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

11Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?

12Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?

13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

18Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.

19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.

20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

Lees heel Job 3 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 3:6-20 in de interactieve Bijbel →