Statenvertaling · Jobs bittere klacht
22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.