Job 24:7-19

Statenvertaling · Jobs antwoord aan Elifaz: waarom straft God niet?

7Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.

8Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.

9Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.

10Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.

11Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.

12Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.

13Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.

14Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.

15Ook neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht.

16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.

17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.

18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.

19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.

Lees heel Job 24 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 24:7-19 in de interactieve Bijbel →