Statenvertaling · Jobs antwoord aan Sofar: toch gedijen de goddelozen
23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.