Bitterheid

Bijbels onderwerp · 9 Bijbelteksten · Statenvertaling

Job 7:11 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

Job 10:1 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

Job 21:25 25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

Spreuken 14:10 10Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.

Spreuken 17:25 25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

Handelingen 8:23 23Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.

Romeinen 3:14 14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

Efeziërs 4:31 31Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;

Hebreeën 12:15 15Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →