Job 21:18-27

Statenvertaling · Jobs antwoord aan Sofar: toch gedijen de goddelozen

18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

19Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;

20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!

21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;

24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.

25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.

27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.

Lees heel Job 21 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 21:18-27 in de interactieve Bijbel →