Ezra 10:26-44

Statenvertaling · Het volk zendt de vreemde vrouwen weg

26En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiel, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.

28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.

29En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth.

30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.

31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,

32Benjamin, Malluch, Semarja.

33Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simei.

34Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uel,

35Benaja, Bedeja, Cheluhu,

36Vanja, Meremoth, Eljasib,

37Mattanja, Mathnai, en Jaasai,

38En Bani, en Binnui, Simei,

39En Selemja, en Nathan, en Adaja,

40Machnadbai, Sasai, Sarai,

41Azareel, Selemja, Semarja,

42Sallum, Amarja, Jozef.

43Van de kinderen van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joel, Benaja.

44Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden.

Lees heel Ezra 10 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Ezra 10:26-44 in de interactieve Bijbel →