Deuteronomium 27:12-24

Statenvertaling · Gedenkstenen en altaar op de Ebal

12Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.

13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.

14En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israel, met verhevene stem:

15Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.

16Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.

17Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.

18Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.

19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

20Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.

21Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.

22Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder! En al het volk zal zeggen: Amen.

23Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.

24Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.

Lees heel Deuteronomium 27 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Deuteronomium 27:12-24 in de interactieve Bijbel →