Statenvertaling · De nodiging van de Wijsheid en van de Dwaasheid
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.