Spreuken 3:21-35

Statenvertaling · De zegenende wijsheid

21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.

23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.

25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.

26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

27Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.

28Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.

29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

32Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.

33De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.

34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.

Lees heel Spreuken 3 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Spreuken 3:21-35 in de interactieve Bijbel →