Spreuken 1:20-30

Statenvertaling · De strekking der spreuken

20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.

21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.

24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;

26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.

30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

Lees heel Spreuken 1 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Spreuken 1:20-30 in de interactieve Bijbel →