Statenvertaling · De strekking der spreuken
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.
14Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;