Statenvertaling · De Joodse voorrechten en Gods trouw
28Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.
29Is God een God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;
30Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.
31Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet.