Statenvertaling · Danklied voor Gods rijke zegen
12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.
13Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.