Psalmen 18:7-20

Statenvertaling · Danklied des konings

7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

10En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

13Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.

14En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

16En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.

20En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

Lees heel Psalmen 18 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Psalmen 18:7-20 in de interactieve Bijbel →