Statenvertaling · Lofpsalm op Gods heilsdaden
11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.
12Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;
13En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;
14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
15Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
16Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.
17Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.
18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
19Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.
20De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.
21Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
22Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.