Bijbels onderwerp · 6 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 39:13 13Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
Job 39:14-18 14Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 15En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 16Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. 17Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. 18Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Jesaja 13:21 21Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
Jesaja 34:13 13En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning der draken zijn, een zaal voor de jongen der struisen.
Jesaja 43:20 20Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
Klaagliederen 4:3 3Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.