Onze kinderen

Bijbels onderwerp · 5 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 127:3-5 3Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning. 4Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd. 5Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Spreuken 17:6 6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.

Jesaja 54:13 13En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.

Marcus 10:13-16 13En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. 14Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 15Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. 16En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.

Efeziërs 6:4 4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →