Narcisme

Bijbels onderwerp · 14 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 36:1-3 1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. 2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

Spreuken 4:16 16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.

Spreuken 16:18 18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.

Spreuken 18:12 12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.

Spreuken 22:24-25 24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man; 25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

Jeremia 17:9 9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?

Mattheüs 7:1 1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

Mattheüs 7:16 16Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?

Mattheüs 18:15 15Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.

Romeinen 16:17-19 17En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve. 18Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen. 19Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade.

Efeziërs 6:4 4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

2 Timotheüs 3:1 1En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

Titus 1:16 16Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.

1 Petrus 5:5-6 5Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 6Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →