Bijbels onderwerp · 32 Bijbelteksten · Statenvertaling
Spreuken 12:24 24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
Spreuken 15:19 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
Spreuken 18:9 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
Spreuken 19:15 15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
Spreuken 21:25 25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
Spreuken 24:30 30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
Prediker 10:18 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
Mattheüs 25:26 26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.
Romeinen 12:11 11Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.
Spreuken 6:6-11 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. 9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
Spreuken 10:26 26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
Spreuken 12:27 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
Spreuken 13:4 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
Spreuken 19:24 24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
Spreuken 20:4 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
Spreuken 21:25-26 25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken. 26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
Spreuken 22:13 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
Spreuken 24:30-34 30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens; 31En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken. 32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan; 33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende; 34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
Spreuken 26:13-16 13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten. 14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed. 15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen. 16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
Prediker 10:17-18 17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij. 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
Mattheüs 25:26-30 26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb. 27Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker. 28Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft. 29Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. 30En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Romeinen 12:10-11 10Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande. 11Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.
Hebreeën 6:10-12 10Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. 11Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe; 12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven.
Spreuken 6:6 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
Mattheüs 25:26-27 26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb. 27Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
Hebreeën 6:12 12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven.
Spreuken 31:27 27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
Ezechiël 16:49 49Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.
Mattheüs 12:36 36Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
1 Timotheüs 5:13 13En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, hetgeen niet betaamt.
Spreuken 6:9 9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
Spreuken 6:9-11 9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →