Bijbels onderwerp · 72 Bijbelteksten · Statenvertaling
Exodus 24:3-4 3Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen. 4Mozes nu beschreef al de woorden des HEEREN, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israel.
Exodus 24:5 5En hij zond de jongelingen van de kinderen Israels, die brandofferen offerden, en den HEERE dankofferen offerden, van jonge ossen.
1 Koningen 12:6 6En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
1 Koningen 12:7 7En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
1 Koningen 12:8 8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
1 Koningen 12:9 9En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.
1 Koningen 12:10 10En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
1 Koningen 12:11-12 11Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 12Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.
1 Koningen 12:13-14 13En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden. 14En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
1 Koningen 12:15 15Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
2 Kronieken 10:8 8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
Psalmen 119:9 9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
Psalmen 148:12 12Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
Psalmen 148:13 13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
Spreuken 1:1-3 1De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel, 2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands; 3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
Spreuken 1:4 4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
Spreuken 1:5-33 5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen. 6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen. 7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. 8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet; 9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals. 10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet; 11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak; 12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen; 13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen. 14Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben. 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad. 16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten. 17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte; 18En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen. 19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen. 20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten. 21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad; 22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? 23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. 24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; 25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; 26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. 27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; 28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; 29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren. 30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; 31Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. 32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven. 33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
Spreuken 2:1-19 1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt; 2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt; 3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; 4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; 5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden. 6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. 7Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen; 8Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren. 9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad. 10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn; 11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden; 12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt; 13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis; 14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden; 15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen; 16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit; 17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet; 18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen. 19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
Spreuken 2:20 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
Spreuken 2:21-22 21Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven; 22Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.
Spreuken 3:1-35 1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. 2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen. 3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten. 4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen. 5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. 6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. 7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade. 8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen. 9Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten; 10Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen. 11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; 12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft. 13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! 14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. 15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. 16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. 17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede. 18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig. 19De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. 20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw. 21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. 22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals. 23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten. 24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen. 25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt. 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden. 27Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen. 28Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is. 29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft. 31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen. 32Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte. 33De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen. 34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven. 35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
Spreuken 4:1-13 1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten. 2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet. 3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder. 4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef. 5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds. 6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. 7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. 8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult. 9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. 10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden. 11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. 12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen. 13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
Spreuken 4:14 14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
Spreuken 4:15-27 15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. 16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen. 17Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld. 18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen. 20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. 21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. 22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees. 23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u. 25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. 26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. 27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
Spreuken 5:1-23 1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; 2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren. 3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. 4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast. 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds. 8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; 10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; 11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! 14Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering! 15Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; 17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; 19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen? 21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen. 22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden. 23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
Spreuken 6:1-29 1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; 2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds. 3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste. 4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. 5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. 9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. 12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om; 13Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren; 14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in. 15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. 16Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: 17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; 18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; 19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt. 20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet. 21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. 22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken. 23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens; 24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong. 25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden. 26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. 27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? 28Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? 29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
Spreuken 6:30 30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
Spreuken 6:31-35 31En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis. 32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; 33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. 34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen. 35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.
Spreuken 7:1-6 1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. 2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen. 3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten. 4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend; 5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit. 6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
Spreuken 7:7 7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
Spreuken 7:8-25 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; 10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 16Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; 18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; 20Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen. 22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is. 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds. 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
Spreuken 7:26 26Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
Spreuken 7:27 27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Spreuken 10:1 1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Spreuken 13:1 1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
Spreuken 15:5 5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
Spreuken 15:20 20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
Spreuken 17:2 2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
Spreuken 17:25 25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
Spreuken 19:13 13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.