Numeri 32:8-13

Statenvertaling · De toewijzing van het Overjordaanse

8Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-Barnea zond, om dit land te bezien.

9Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.

10Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:

11Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;

12Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.

13Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.

Lees heel Numeri 32 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Numeri 32:8-13 in de interactieve Bijbel →