Nehemia 11:21-36

Statenvertaling · De nieuwe inwoners van Jeruzalem

21En de Nethinim woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de Nethinim.

22En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, den zoon van Matthanja, den zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis.

23Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag.

24En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van Zerah, den zoon van Juda, was aan des konings hand, in alle zaken tot het volk.

25In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;

26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,

27En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,

28En te Ziklag, en in Mechona en haar onderhorige plaatsen,

29En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,

30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.

31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,

32Anathoth, Nob, Ananja,

33Hazor, Rama, Gitthaim,

34Hadid, Zeboim, Neballat,

35Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.

36Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van Juda, en van Benjamin.

Lees heel Nehemia 11 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Nehemia 11:21-36 in de interactieve Bijbel →