Psalmen 61 NBG 1951

NBG-vertaling 1951 · Gebed van een balling voor de koning

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2Hoor toch, o God, mijn smeking, sla acht op mijn gebed.

3Van het einde des lands roep ik tot U, omdat mijn hart bezwijkt; leid mij op een rots die mij te hoog zou zijn.

4Want Gij zijt mij een schuilplaats geweest, een sterke toren tegen de vijand.

5Laat mij in uw tent voor altoos vertoeven, laat mij schuilen, geborgen onder uw vleugelen. sela

6Want Gij, o God, hebt gehoord naar mijn geloften, Gij hebt het erfdeel gegeven van hen die uw naam vrezen.

7Voeg dagen toe aan de dagen van de koning, mogen zijn jaren duren als van geslacht tot geslacht;

8moge hij voor altoos tronen voor Gods aangezicht, beschik goedertierenheid en trouw, dat zij hem behoeden.

9Dan wil ik uw naam voor immer psalmzingen, terwijl ik dag aan dag mijn geloften betaal.

Lees ook in: Statenvertaling · HSV · KJV

Bijbelse onderwerpen bij dit hoofdstuk

Lees Psalmen 61 in de interactieve Bijbel →