Mattheüs 27:28-36

Statenvertaling · Naar Pilatus – Judas’ dood

28En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;

29En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!

30En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.

31En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.

32En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.

33En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,

34Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.

35Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.

36En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.

Lees heel Mattheüs 27 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Mattheüs 27:28-36 in de interactieve Bijbel →