Statenvertaling · Naar Pilatus – Judas’ dood
12En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?
14Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
15En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welke zij wilden.
16En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.