Lucas 1:24-80

Statenvertaling · Aankondiging van Johannes en Jezus

24En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:

25Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.

26En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;

27Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.

28En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.

29En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.

30En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.

31En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.

32Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

33En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

34En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

35En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

36En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.

37Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

38En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

39En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;

40En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.

41En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;

42En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!

43En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?

44Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.

45En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;

47En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;

48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.

49Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.

50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.

51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.

52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.

53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.

54Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.

55(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.

56En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.

57En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon.

58En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.

59En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders.

60En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.

61En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt.

62En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.

63En als hij een schrijftafeltje geeist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.

64En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.

65En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen.

66En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.

67En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:

68Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;

69En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;

70Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;

71Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten;

72Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond;

73En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven,

74Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.

75In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.

76En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;

77Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.

78Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;

79Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.

80En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israel.

Lees heel Lucas 1 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Lucas 1:24-80 in de interactieve Bijbel →