Leviticus 25:34-39

Statenvertaling · Sabbat- en jubeljaar

34Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.

35En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.

36Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve.

37Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.

38Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaan te geven, opdat Ik u tot een God zij.

39Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;

Lees heel Leviticus 25 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Leviticus 25:34-39 in de interactieve Bijbel →