Statenvertaling · Het gesprek met de Samaritaanse vrouw
30Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.
31En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.
32Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.
33Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?