Johannes 2:3-11

Statenvertaling · De bruiloft te Kana

3En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.

4Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.

5Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.

6En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.

7Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.

8En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.

9Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.

10En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.

11Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.

Lees heel Johannes 2 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Johannes 2:3-11 in de interactieve Bijbel →