Statenvertaling · Elifaz’ eerste rede: na kastijding zegen
3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.
4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.
5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.