Job 31:5-17

Statenvertaling · Jobs slotrede: de eed van onschuld

5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;

6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.

7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;

8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;

10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

11Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.

12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

13Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;

14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?

15Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?)

16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

17En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;

Lees heel Job 31 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 31:5-17 in de interactieve Bijbel →