Statenvertaling · Jobs slotrede: de dagen van voorheen
13De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.
14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
15Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.