Job 29:11-17

Statenvertaling · Jobs slotrede: de dagen van voorheen

11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.

13De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.

14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.

15Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.

16Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

17En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.

Lees heel Job 29 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 29:11-17 in de interactieve Bijbel →