Job 21:8-15

Statenvertaling · Jobs antwoord aan Sofar: toch gedijen de goddelozen

8Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

9Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.

10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

11Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

Lees heel Job 21 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 21:8-15 in de interactieve Bijbel →