Job 16:7-16

Statenvertaling · Jobs antwoord aan Elifaz: God is mijn getuige

7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.

13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.

14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.

15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.

16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.

Lees heel Job 16 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 16:7-16 in de interactieve Bijbel →