Job 1:6-9

Statenvertaling · Jobs vroomheid op de proef gesteld

6Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

Lees heel Job 1 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 1:6-9 in de interactieve Bijbel →