Statenvertaling · Geen aanzien des persoons
7Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?
8Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;
9Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.