Handelingen 9:8-12

Statenvertaling · De bekering van Saulus

8En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.

9En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.

10En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!

11En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.

12En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.

Lees heel Handelingen 9 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Handelingen 9:8-12 in de interactieve Bijbel →