Statenvertaling · Petrus en Johannes voor de Raad
20Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
21Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.
22Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.