Handelingen 27:34-41

Statenvertaling · Paulus naar Rome

34Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.

35En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.

36En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze.

37Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen.

38En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee.

39En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten.

40En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.

41Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.

Lees heel Handelingen 27 →

Bijbelse onderwerpen bij dit hoofdstuk

Lees Handelingen 27:34-41 in de interactieve Bijbel →