Statenvertaling · Cornelius
26Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.
27En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.
28En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.
29Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden.