Genesis 49:8-23

Statenvertaling · Jakobs laatste woorden tot zijn zonen

8Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.

9Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?

10De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.

11Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.

12Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.

13Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.

14Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.

15Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

16Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.

17Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.

18Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!

19Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.

20Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

21Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

22Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.

23De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;

Lees heel Genesis 49 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Genesis 49:8-23 in de interactieve Bijbel →