Statenvertaling · Jakob vreest Esau te ontmoeten
14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;
15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.
16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.