Genesis 21:21-32

Statenvertaling · Geboorte van Isaak

21En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.

22Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.

23Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.

24En Abraham zeide: Ik zal zweren.

25En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.

26Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.

27En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.

28Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.

29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?

30En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.

31Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.

32Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.

Lees heel Genesis 21 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Genesis 21:21-32 in de interactieve Bijbel →