Statenvertaling · Tegen de bergen Israëls
2Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israels, en profeteer tegen dezelve;
3En zeg: Gij bergen Israels, hoort het woord des Heeren HEEREN! Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Ziet, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uw hoogten verderven.